Primair · Didactiek

Bloom-vraaggenerator

1

Onthouden

noem · beschrijf · definieer
  • Noem de ... van [onderwerp].
  • Wat is de definitie van [onderwerp]?
  • Beschrijf wat [onderwerp] is.
2

Begrijpen

leg uit · vat samen · geef een voorbeeld
  • Leg in eigen woorden uit wat [onderwerp] betekent.
  • Geef een voorbeeld van [onderwerp] uit de praktijk.
  • Vat de belangrijkste punten van [onderwerp] samen.
3

Toepassen

pas toe · bereken · demonstreer
  • Hoe pas je [onderwerp] toe in je stage?
  • Laat zien hoe je [onderwerp] uitvoert in deze situatie: ...
  • Gebruik [onderwerp] om dit probleem op te lossen.
4

Analyseren

vergelijk · onderscheid · verklaar
  • Vergelijk [onderwerp] met ... Wat zijn de verschillen?
  • Welke oorzaken liggen ten grondslag aan [onderwerp]?
  • Welke onderdelen van [onderwerp] hangen met elkaar samen?
5

Evalueren

beoordeel · beargumenteer · kies
  • Beoordeel of [onderwerp] in deze situatie de beste aanpak is.
  • Welke keuze rond [onderwerp] zou jij maken? Onderbouw.
  • Wat zijn de voor- en nadelen van [onderwerp]?
6

Creëren

ontwerp · bedenk · stel op
  • Ontwerp een plan waarin je [onderwerp] gebruikt.
  • Bedenk een verbetering voor [onderwerp] op je stageplek.
  • Stel een instructie op over [onderwerp] voor een nieuwe collega.